🇩🇪 Duits · A2 · Schoolleven

Universiteit en studie

Cologne

Woordenschat

  • die Universitätde universiteit
  • das Studiumde studie
  • der/die Student(in)de student
  • sich anmeldenzich inschrijven
  • sich vorbereitenzich voorbereiden
  • sich konzentrierenzich concentreren
  • sich freuenblij zijn / uitkijken
  • das Semesterhet semester
  • das Stipendiumde beurs
  • der Abschlusshet diploma
  • die Vorlesunghet hoorcollege
  • die Bibliothekde bibliotheek

Wederkerende werkwoorden in het Duits

Wederkerende werkwoorden gebruiken een wederkerend voornaamwoord (sich) dat verandert naargelang de persoon.

Vervoeging van sich vorbereiten (zich voorbereiden):

  • Ich bereite mich vor. (Ik bereid me voor.)
  • Du bereitest dich vor. (Je bereidt je voor.)
  • Er/Sie bereitet sich vor. (Hij/zij bereidt zich voor.)
  • Wir bereiten uns vor. (We bereiden ons voor.)

Wederkerende voornaamwoorden: mich, dich, sich, uns, euch, sich.

Veelvoorkomende voorbeelden:

  • Ich melde mich für den Kurs an. (Ik schrijf me in voor de cursus.)
  • Sie konzentriert sich auf die Prüfung. (Zij concentreert zich op het examen.)
  • Wir freuen uns auf das Semester. (We kijken uit naar het semester.)

Let op: sommige wederkerende werkwoorden hebben een vast voorzetsel:

  • sich freuen auf (uitkijken naar)
  • sich freuen über (blij zijn met)
  • sich vorbereiten auf (zich voorbereiden op)
  • sich konzentrieren auf (zich concentreren op)
Berlin

Uitdrukkingen

  • Ich bereite mich auf die Prüfung vor.Zeggen dat je je voorbereidt op een examen
  • Ich melde mich für den Kurs an.Je inschrijven voor een cursus
  • Ich freue mich auf das neue Semester.Uitkijken naar het nieuwe semester
  • Ich konzentriere mich auf mein Studium.Je op je studie concentreren
  • Er freut sich über seine gute Note.Blij zijn met een goed cijfer
  • Wir bereiten uns auf den Abschluss vor.Je voorbereiden op je diploma

Veelgemaakte fouten

  • Ich bereite mich für die Prüfung vor.
    Ich bereite mich auf die Prüfung vor.

    *sich vorbereiten* gebruikt *auf*, niet *für*.

  • Ich freue sich auf das Semester.
    Ich freue mich auf das Semester.

    In de eerste persoon is het wederkerend voornaamwoord *mich*, niet *sich*.

  • Er meldet für den Kurs an.
    Er meldet sich für den Kurs an.

    Het wederkerend voornaamwoord *sich* is verplicht.

  • Ich konzentriere mich auf den Prüfung.
    Ich konzentriere mich auf die Prüfung.

    *Prüfung* is vrouwelijk: *die Prüfung*, niet *den*.

  • Wir vorbereiten uns.
    Wir bereiten uns vor.

    *Vorbereiten* is scheidbaar: *bereiten ... vor*.

Korte quiz

Vraag 1 van 5

Hoe zeg je «het semester» in het Duits?

Dit is de miniversie

De echte tutor Duits woont in de app

Lezen is een begin — Mio is gemaakt om te oefenen. De app voegt alles toe wat het web niet kan:

  • Gesprek

    Echte gesprekken met je AI-tutor

  • Luisteren

    Korte verhalen en dialogen met begripsvragen

  • Slimme kaarten

    Gespreide herhaling die woorden toont net voordat je ze vergeet

  • Je coach Mio

    Volgt je fouten en bouwt een dagplan rond je zwakke plekken