Dagen en maanden
Woordenschat
- Montagmaandag
- Dienstagdinsdag
- Mittwochwoensdag
- Donnerstagdonderdag
- Freitagvrijdag
- Samstagzaterdag
- Sonntagzondag
- Januarjanuari
- heutevandaag
- morgenmorgen
- gesterngisteren
- das Wochenendeweekend
Duitse dagen en maanden.
Dagen van de week
Alle dagen eindigen op -tag (dag): Montag, Dienstag, Mittwoch, Donnerstag, Freitag, Samstag, Sonntag.
Gebruik am + dag: Am Montag arbeite ich. — Op maandag werk ik.
Maanden van het jaar
Januar, Februar, März, April, Mai, Juni, Juli, August, September, Oktober, November, Dezember.
Gebruik im + maand: Im Januar ist es kalt. — In januari is het koud.
Voorzetsels van tijd
- am + dag/datum: am Montag, am 5. Mai
- im + maand/seizoen: im Januar, im Sommer
- um + tijdstip: um 8 Uhr
Heute ist Montag. — Vandaag is het maandag.
Morgen ist Dienstag. — Morgen is het dinsdag.
Duitse uitdrukkingen over dagen en maanden.
Veelgemaakte fouten bij dagen en maanden.
Uitdrukkingen
- Welcher Tag ist heute?Welke dag is het vandaag?
- Heute ist FreitagVandaag is het vrijdag
- Am Samstag gehe ich einkaufenOp zaterdag ga ik winkelen
- Ich habe im März GeburtstagMijn verjaardag is in maart
- Bis morgen!Tot morgen!
- Letztes WochenendeAfgelopen weekend
Veelgemaakte fouten
In MontagAm MontagGebruik am, niet in, bij dagen van de week.
In JanuarIm JanuarGebruik im (in dem) bij maanden.
Heute ist es MontagHeute ist MontagEr is geen es nodig: Heute ist Montag.
In dem WochenendeAm WochenendeGebruik am (= an dem) voor het weekend, niet in dem.
Ich gehe auf SamstagIch gehe am SamstagGebruik am, niet auf, bij dagen.
Korte quiz
Vraag 1 van 5
Hoe zeg je «maandag» in het Duits?
De echte tutor Duits woont in de app
Lezen is een begin — Mio is gemaakt om te oefenen. De app voegt alles toe wat het web niet kan:
- Gesprek
Echte gesprekken met je AI-tutor
- Luisteren
Korte verhalen en dialogen met begripsvragen
- Slimme kaarten
Gespreide herhaling die woorden toont net voordat je ze vergeet
- Je coach Mio
Volgt je fouten en bouwt een dagplan rond je zwakke plekken

