🇫🇷 Frans · A2 · Natuur & milieu

De seizoenen

Paris

Woordenschat

  • le printempsde lente
  • l'étéde zomer
  • l'automnede herfst
  • l'hiverde winter
  • il fait chaudhet is warm
  • il fait froidhet is koud
  • il pleuthet regent
  • il neigehet sneeuwt
  • le soleilde zon
  • un orageonweer
  • la températurede temperatuur
  • le cielde lucht

Belangrijke woordenschat

Essentiële woorden om over seizoenen en het weer te praten.

Seizoenen en weersuitdrukkingen

Seizoenen met voorzetsels

Elk seizoen krijgt een specifiek voorzetsel:

  • au printemps — in de lente
  • en été — in de zomer
  • en automne — in de herfst
  • en hiver — in de winter

Alleen printemps gebruikt au, omdat het met een medeklinker begint. De andere seizoenen gebruiken en.

Weersuitdrukkingen

In het Frans gebruik je onpersoonlijke constructies met il:

  • Il fait + bijvoeglijk naamwoord: Il fait beau/chaud/froid/mauvais.
  • Il + werkwoord: Il pleut. Il neige. Il y a du vent.
  • Il y a + zelfstandig naamwoord: Il y a du soleil. Il y a des nuages.

Over de seizoenen praten

  • En hiver, il fait très froid et il neige souvent. — In de winter is het erg koud en sneeuwt het vaak.
  • Au printemps, les fleurs poussent. — In de lente groeien de bloemen.
  • Ma saison préférée, c'est l'été. — Mijn favoriete seizoen is de zomer.

Handige uitdrukkingen

Veelgebruikte zinnen om over seizoenen en het weer te praten.

Veelgemaakte fouten

Let op deze veelvoorkomende fouten wanneer je over seizoenen en het weer praat.

Marseille

Uitdrukkingen

  • Quel temps fait-il ?Hoe is het weer?
  • Il fait beau aujourd'huiVandaag is het mooi weer
  • Il pleut depuis ce matinHet regent sinds vanochtend
  • Ma saison préférée, c'est...Mijn favoriete seizoen is...
  • En été, il fait très chaudIn de zomer is het erg warm
  • Il y a du soleilDe zon schijnt
  • Le temps va changer demainHet weer verandert morgen

Veelgemaakte fouten

  • En printemps, il fait beau
    Au printemps, il fait beau

    Voor de lente gebruik je "au", niet "en"; dit is het enige seizoen met dit voorzetsel.

  • Il est chaud aujourd'hui
    Il fait chaud aujourd'hui

    Voor het weer gebruik je "il fait", niet "il est": il fait chaud, il fait froid.

  • Il fait du pluie
    Il pleut

    Voor regen gebruik je het werkwoord "pleuvoir": il pleut, niet il fait de la pluie.

  • Je préfère l'été parce que il fait chaud
    Je préfère l'été parce qu'il fait chaud

    Voor "il" wordt "parce que" door elisie "parce qu'".

  • Dans l'hiver, il neige
    En hiver, il neige

    Bij seizoenen gebruik je "en" of "au", niet "dans".

Korte quiz

Vraag 1 van 5

Hoe zeg je «de lucht» in het Frans?

Dit is de miniversie

De echte tutor Frans woont in de app

Lezen is een begin — Mio is gemaakt om te oefenen. De app voegt alles toe wat het web niet kan:

  • Gesprek

    Echte gesprekken met je AI-tutor

  • Luisteren

    Korte verhalen en dialogen met begripsvragen

  • Slimme kaarten

    Gespreide herhaling die woorden toont net voordat je ze vergeet

  • Je coach Mio

    Volgt je fouten en bouwt een dagplan rond je zwakke plekken